Gewoon Bert.


Het ongelijk van Guus Meeuwis
november 6, 2011, 15:25
Gearchiveerd onder: Uncategorized

“En dan denk ik aan Brabant, want daar brandt nog licht.” Dat zingt Guus nogal vaak. Nu was ik vannacht toevallig in Tilburg – zijn eigen stad, en ook een klein beetje die van mij, denk ik soms maar gewoon – en ik vond het op zijn minst bedroevend.

Het begon als een leuke avond. Ik dacht; ik houd het een beetje netjes. Niet te veel drinken, niet te laat naar het station. Maar ja, van de andere kant, het was een zaterdagnacht; de nachttrein reed. Het mocht dus ook best wat later worden.

Dat heb ik geweten. Zo verliet ik, heel rustig, rond kwart voor vier ’s nachts een of andere tent. Nog even een babbeltje om het af te sluiten (want elkaar verstaan zit er met al die harde teringherrie natuurlijk niet in), afscheid nemen, en dan heel rustig naar het station lopen.

Om kwart voor vijf kwam ik daar aan. Doodse stilte. Een paar mannen zitten tegen de muur. Een zwaarlijvige beveiligingsbeambte staat te keuvelen met haar collega’s. Ik vraag naar de nachttrein.

“De laatste ging om twee over vier. Waar moet je heen?”

“Leiden.”

“Oh ja, joh? Dat kan niet meer. Er gaat dadelijk nog één treintje naar ’s-Hertogenbosch. Dan houdt het op,” zei ze. Met zo’n toon van: ik weet alles. Ze wist het ook. Dus vervolgde ze pedant: “De eerste trein naar het hoge noorden is pas om vijf voor acht.” Topografie was niet haar sterkste vak.

“Tja, dan houdt het op. Ga ik wel weer wat anders doen. Doeg.” Ik dacht aan Guus. Het kon niet anders dan dat er nog ergens licht brandde. De zwaarlijvige beveiligingsbeambte knikte bemoederend en lachte me niet overtuigend toe. Ze zei niets meer.

Dat zijn al twee vervelende dingen aan Brabant. Is Tilburg na veel heisa tóch nog op het nachtnet aangesloten – zij het alleen op zaterdagnacht – houdt dat nachtnet er gewoon mee op om vier uur ’s nachts. What happened to vijf, zes en zeven uur ’s ochtends?

En dan die nare toon waarop ze in het zuiden over het noorden praten. Dat het er ongezellig zou zijn. Dat de mensen er niet vriendelijk zouden zijn. Dat alles kil en koud en grauw zou zijn. Kom zeg, wie doet er nu ongezellig? Ja, misschien lachen mensen in het noorden wat minder vlug. Maar die lach moet je dan ook maar gewoon verdienen. Niet alles hoeft altijd maar gemakkelijk te zijn.

Enfin, ik struin door Tilburg. Als je goed kijkt en de juiste muziek opzet, dan kan dat er ’s nachts nog best leuk uitzien. Ik heb wel even extra op de ramen gelet. Eén enkeling bakte in eenzaamheid nog gauw een eitje. Verder zag ik niemand. Geen leven meer te bekennen. Ja, Guus. Gezellig. Met licht bedoelde je zeker die exclusieve Brabantse straatverlichting? Erg modern.

Net toen ik me dat afvroeg sloeg de klok vijf uur. Blijkbaar dooft dan de kleurrijke decoratieverlichting van de Westpoint; de kolossale (en daardoor nogal misplaatste) woontoren van Tilburg. Tot zover het licht in Brabant.

Op de Heuvel, de plek waar het een poosje geleden allemaal nog te doen was, zijn alle kroegen verlaten. Er staan nu wel wat taxi’s, maar ze hebben geen klanten. Zelfs alle dönertenten zijn inmiddels gesloten. Een oudere vrouw spuit de straat schoon met een tuinslang. Een verward overkomende man van voorbij de veertig schreeuwt tegen zijn telefoon: “Man, dat kun je toch niet maken. Ik heb al vier jaar niet meer geneukt.” Ik ontwijk hem maar.

Omdat Nederlandse steden altijd zo verschrikkelijk groot zijn, kom je al gauw weer uit bij een gesloten station Tilburg. Om kwart over vijf komt er een tourbus aan. Twee mannen stappen uit. Ze laten een Britse snoepverpakking op de grond vallen. De bus rijdt weg, de mannen verdwijnen. Een andere man doemt op uit het niets. Hij opent de stationshal.

Vrijwel meteen zijn er zo’n tien man binnen. Eindelijk warm. Ik ga het perron op, de wachtruimte in. Op een bankje (met leuningen, vervelend) val ik weg in een staat van half slaap, half apathie. Als ik even wakker word, ligt er plotseling een zwerver achter me op de verwarming. Hij hoest alsof hij dood gaat. Het kan me niet zo veel schelen. Wel sta ik op en ga ik op een ander bankje zitten. Ziek worden is nooit fijn.

Ik word wakker om kwart over zeven. De AH to go gaat bijna open – als eerste zaak in de stad. Als ik vraag naar de croissantjes blijken die echter nog een half uur in de oven te moeten. Ook warme chocolademelk is op dit moment teveel gevraagd. Ik ga weer terug naar het perron.

Twintig minuten later zal mijn trein vertrekken. De zon zal op komen, en alles zal grijs zijn. Ik slaap tot ik aankom in Den Haag. Steeds als ik even wakker word, mijn mond wijd open staand, dan denk ik: die vervelende Guus Meeuwis. Leugenaar. Houd gewoon eens op met liedjes schrijven.


2 reacties tot nu toe
Plaats een reactie

Hahahahahahaha Bert, dat kan ook alleen jou overkomen he :P

Reactie door Deborah Brandwijk

Wat ben je toch een typische jongen. Leuk geschreven. Ik vraag me af wat Guus hier op te zeggen heeft.

Reactie door Robin




Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s



Follow

Get every new post delivered to your Inbox.